Gebruiksaanwijzing van haar-apparaat

Handleiding voor de Schröckenfux haarapparaat.
1) Onderdelen van het haarapparaat.

1- Geleidestift
2- Aambeeld
3- Haarhuls 1 rood ( met 1 groef)
4- Aambeeldpen
5- Haarhuls 2 geel ( met 2 groeven)

2) Montage op het haarblok.

1- Voor de aambeeldpen is een boorgat van ca. 11 mm doorsnede en een diepte van 50 mm noodzakelijk.
2- Om te plaatsen een stuk hout op het aambeeld leggen. Rechtstreeks op de geleidestift slaan met een hamer kan schade tot gevolg hebben.
3- De bovenkant van het aambeeld dient op ongeveer kniehoogte te zijn. Wanneer men de goede zitpositie ingenomen heeft, kan bij langere zeisen de knie of het bovenbeen als steunpunt voor de zeis dienen.

3) Voorbereiden van de zeis voor het haren.

1- Met een metaal vijl worden onregelmatigheden van de zeis-snede verwijderd. De snede moet een regelmatig verloop hebben ( afbeelding 3.1).
2- Met schuurpapier wordt de haar? gereinigd van verf en roest. Dit moet aan beide zijden van de zeis gebeuren ( afbeelding 3.2 en 3.3)
3- Hoe schoner en gladder het haarpad , des te beter ziet men de aanslagen bij het haren. Eveneens worden eventuele krassen en vouwen zichtbaar, die voor het haren moeten worden weg gevijld.

4) Het haarpad.

1- Het haarpad is het 1-6 mm brede strookje langs de snijkant van de zeis.
2- Het haarpad is kielvormig. De doorsnede van de kiel verloopt van zeis dikte tot 0,15 mm.
3- Een goed haarpad heeft een breedte van ca. 2-3 mm. ( afbeelding 4.1)

5) Haren van de zeis.

1- Rode haarhuls ( 1groef) op de ingevette geleidestift schuiven. Zeisblad tussen aambeeld en haarhuls vlak plaatsen en licht tegen de geleidestift duwen. Met een ongeveer 800 gram zware hamer en gemiddelde slag (valhoogte ca. 10 cm )word het snijvlak vanaf de hak tot zeis-punt met ca. 2 mm per slag vooruitgeschoven. Vanuit de pols slaan!
2- Haargang met de gele haarhuls ( 2 groeven) herhalen. Bij deze handeling wordt overwegend het gebied op ca. 1 mm vanaf de snede gehaard en verdunt.
3- Controle van het haren:
Zeis in een hoek van ca. 45 met een hamersteel duwen. (afbeelding 5.1).
Hierbij moet de snede vervormen. Is er geen vervorming zichtbaar , dan is de snede te dik en moet de haargang met huls 1 en 2 nogmaals worden uitgevoerd.

Blijft de vervorming na het duwen bestaan dan is de snede te dun!
De haargang in casu de snede heeft geen ruggengraat.

In principe is het beter de zeis in meerdere werkgangen te haren. Aangezien een te grote vervorming in één haargang, te grote spanningen in het snijvlak kan opwekken en tot scheuren kan leiden.

6) Scherp maken van de zeis.

1- Na het haren volgt het scherpen, aanzetten van de zeis met een wetsteen of een strik of strekel.

Belangrijk !
Bij de zichtproef, loodrecht op de snede kijken met zonlicht als achtergrond Hierbij mag geen witte snede te zien zijn. ( afbeelding 6.1)

2- Om de oneffenheid van de snede te verminderen en glad te maken moet met een wetsteen of strik de zeis meerdere keren worden aangezet. De goede werkhoek zie afbeeldingen 6.2 en 6.3.