Handleiding algemene meststoffen

Mineralisatie
Veel organismen zijn C-heterotroof (o.a. schimmels en bacterieën). Dat wil zeggen dat zij niet in staat zijn het CO2 uit de lucht te assimileren. In plaats hiervan maken ze gebruik van de koolstof (C) uit het organisch materiaal. Door afbraak van de verbindingen komen deze organisch gebonden elementen vrij en worden ze omgezet in anorganische elementen. Deze elementen zijn direkt of na enige verdere omzetting beschikbaar voor de plant. Het afbreken van deze verbindingen wordt mineralisatie genoemd. De snelheid van mineralisatie is afhankelijk van factoren als pH, vocht, aeratie, bodemvruchtbaarheid, temperatuur en vegetatie.

C/N Verhouding: 10
De verhoudingen tussen koolstof en stikstof wordt C/N getal genoemd. Het getal geeft aan dat er per 10 kg gemineraliseerde koolstof, 1 kg stikstof vrijkomt. De vrijgekomen stikstof zal bij een C/N verhouding kleiner dan 30 voor een gedeelte beschikbaar komen voor de plant. Een klein gedeelte wordt gebruikt voor de assimilatie van de micro-organismen. Bij een C/N verhouding groter dan 30 treed stikstofimmobilisatie op. Dat wil zeggen dat de organismen externe bronnen nodig hebben om in hun stikstof behoefte te kunnen voorzien. De externe bron kan kunstmest zijn, of afbraak van andere micro-organismen. Min of meer toevallig geldt dat organische mest met een lage C/N verhouding sneller wordt omgezet dan organische mest met een hoge C/N verhouding.

FUNCTIES VAN DE DIVERSE VOEDINGSSTOFFEN

HOOFDELEMENTEN

Stikstof (N)
Zonder stikstof blijven planten klein, vormen niet genoeg bladgroen en de bloemen blijven achter in groei. Afhankelijk van de soort en geslacht is de stikstofbehoefte van planten zeer divers. Als stelregel geldt: des te sneller een plant groeit, des te meer stikstof hij nodig heeft voor de groei. Planten krijgen uit organische stoffen en bodemmineralen een natuurlijke toevoer van stikstof. Daarnaast is stikstof belangrijk voor de bouw van eiwitten, hormonen en aminozuren en neemt deel aan het fotosyntheseproces.

Fosfaat (P)
Fosfaat is een belangrijk bestanddeel van verschillende eiwitten. Ook speelt het een belangrijke rol in de stofwisselingsprocessen, zoals assimilatie. Tevens is Fosfaat van belang bij de opname van water en andere voedingsstoffen. Planten hebben fosfaat nodig voor de aanleg van bloemen. Om deze reden gebruiken veel tuinders fosfaatmeststof om planten en snijbloemen tot bloei te brengen en de groei van bloemen te bevorderen. Stimuleert de wortelgroei.

Kalium (K)
Kalium speelt een belangrijke rol bij de productie van koolhydraten, het activeert een aantal suikervervormde enzymen. Ook is kalium van belang bij het transport van deze koolhydraten. In het plantenvocht (cytoplasma, vacuole) zorgt Kalium voor een verhoging van de osmotische waarde. Een hoge osmotische waarde vergemakkelijkt de wateropname en maakt de plant minder gevoelig.

Kalium bewerkstelligt een optimale wortelaanzet en is daardoor van groot belang voor de plant. Kalium heeft een gunstige uitwerking op de oogst en kwaliteit van de planten. Kalium is licht oplosbaar en wordt daardoor snel naar diepere grondlagen getransporteerd. Dit is noodzakelijk voor de celdeling, stevigheid en de aanleg van suikers en smaakstof. Daarnaast is het belangrijk voor de opname van Calcium, Natrium, en Stikstof, uitwisseling van koolhydraten, fotosynthese en winterhardheid, in het bijzonder voor fruit. Verstevigd de celstructuur, bevordert de aanleg van wortels en de houdbaarheid van knollen.

Calcium (Ca)
Calcium speelt een rol bij de opbouw van celwanden en het neutraliseren van zuren in de plant. Ook is dit een onmisbaar element voor de vruchtvorming. Daarnaast heeft Calcium nog enkele bodemverbeterende eigenschappen, zoals het verhogen van de pH en het verbeteren van de opname van voedingsstoffen.

Magnesium (MgO)
Magnesium activeert een groot aantal enzymmatische reacties en is op deze wijze nauw verbonden bij de stofwisseling. Tevens is Magnesium essentieel voor de vorming van bladgroen, en het bevordert de groei, oogst en kwaliteit van gecultiveerde planten. Ook is magnesium belangrijk voor de omzetting van fosfaat bij de planten, en het reguleert de waterhuishouding.

Borium (B)

Borium zorgt voor de stabiliteit van de celwand en bevordert de plantengroei.

IJzer (Fe)

IJzer draagt als katalysator bij aan fotosynthese en de vorming van bladgroen. Noodzakelijk voor de vorming van aminozuren, koolhydraten en voor de stofwisseling. Bestanddeel van veel stofwisseling-enzymen. Belangrijk voor de overdracht van energie.

Cloor (Cl)

Chloor is nodig voor verscheidene planten. Van de tuinplanten bijvoorbeeld alle koolsoorten. Echter schadelijk bij bonen, komkommers, bessen, aardappels en tomaten.

Koper (Cu)

Koper is een enzymenbestanddeel en is bij de vorming van bladgroen betrokken. Essentieel voor de stofwisseling van de planten (aanleg van koolhydraten en eiwitten).

Mangaan (Mn)

Mangaan bevordert de groei van goedaardige bacteriën, de groei in het algemeen en de rijping. Essentieel voor de voortzetting van de stofwisseling van de planten.

Molybdeen (Mo)

Molybdeen is een enzymenbestanddeel. Belangrijk bij de omzetting van stikstof en fosfaatwisseling in de plant. Noodzakelijk voor de eiwitherstelling.

Zwavel (S)
Zwavel zorgt voor de aaneenschakeling van eiwitten. Naast deze bindfunctie komt Zwavel ook nog voor in enzymen en vitaminen. Zwavel is belangrijk voor de aanleg van enzymen en het vasthouden van eiwitten en smaakstoffen.

Zink (Zn)

Zink draagt bij aan de aanleg van bladgroen en bouwstoffen. Essentieel voor de voortzetting van de stofwisseling van de planten. Katalysator voor alle planten.

Silicium (Si)

Silicium zorgt voor de stevigheid in de celwand, de bescherming van cellen, de lengte en stevigheid van de plantenstengel.

Gewassen ingedeeld naar eisen:

1. Veeleisende gewassen
Deze vragen een zware organische bemesting en hebben veel stikstof nodig voor hun groei:
–   bladgewassen (sla, selder, enz), die slecht verse mest verdragen.
–   vruchtgewassen (tomaat, komkommerachtigen), koolgewassen,     aardappelen, die verse mest of onrijpe mest kompost verdragen.

2 . Weinig eisende gewassen
–  de wortelgewassen, die het moeten hebben van vroeger uitgevoerde stikstof    bemesting (oude kracht).
–  de peulgewassen, die ook wel voldoende organische mest in de bodem vragen,    maar zonder veel stikstof.
Beide kunnen als bemesting oude (verteerde) kompost krijgen of verder teren op vroegere uitgevoerde bemestingen (oude kracht).

Dezelfde indeling wordt gebruikt bij het verdelen van de tuin in percelen volgens een vruchtwisselingsschema. Het overgrote deel van de organische bemesting komt terecht op de percelen voor bladgewassen, vruchtgewassen, koolgewassen en aardappelen. De percelen voor wortel- en peulgewassen krijgen weinig of niets. De bemesting op de veeleisende gewassen moet in principe volstaan om de volgende teelt op elk van die percelen voldoende te voeden.

In klassieke handboeken vind je ook tabellen waarop te lezen staat hoeveel kg elk gewas van de verschillende voedingsstoffen aan de bodem onttrekt. Zulke tabellen zijn niet bruikbaar als leidraad voor een bemestingsplan. Ze duiden niet aan hoeveel voedingsstoffen er voor een bepaalde teelt toegevoegd moeten worden. Bijstaande tabel geeft niet de export maar wel de bemestingsbehoeften. In de biologische teelt hecht men aan deze cijfers niet veel belang. Ze geven echter wel een grootte-orde van wat totaal aan de grond gegeven moet worden.

tabel 4 gewas.         Tabel 5 samenstelling meststoffen    tabel 6 minerale meststoffen

Geef een antwoord